Naar de inhoud
VCAstart.nl VCAstart.nl Boek nu
12 oefenvragen met uitleg

VIL VCU proefexamen

Test je kennis voor het VIL VCU-examen (Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden VCU) met 12 vragen uit onze online VCA cursus. Kies een antwoord en klik op Nakijken: je ziet meteen of het goed is en waarom.

Voor je begint

Een korte oefenset, geen echt examen

Het echte VIL VCU-examen heeft 60 vragen en je hebt er 60 minuten voor. Je bent geslaagd als je minstens 39 vragen goed hebt. Hier oefen je met 12 vragen, zonder tijdslimiet.

De vragen komen uit de proefexamens van onze online VCA cursus. Elke vraag gaat over een ander hoofdstuk van de examenstof. Wil je dezelfde norm halen als op het echte examen, dan heb je hier 8 van de 12 vragen goed nodig.

Het echte examen 60 vragen in 60 minuten
Geslaagd bij 39 van de 60 goed
Deze oefenset 12 vragen, geen tijdslimiet
Taalniveau examen B1 (2F)
Oefenvragen

12 vragen over het VIL VCU-examen

Kies bij elke vraag één antwoord en klik op Nakijken. Je kunt je antwoord daarna niet meer veranderen.

  1. Vraag 1 van 12 · Regelgeving en veiligheidsregels Een uitzendorganisatie zendt een operationele uitzendkracht uit naar een VCA-gecertificeerde inlener. Welk diploma heeft deze uitzendkracht minimaal nodig?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is B: Basisveiligheid VCA (B-VCA)

    Uitleg: Een operationele uitzendkracht bij een VCA-gecertificeerde inlener heeft minimaal het diploma Basisveiligheid VCA nodig. VOL VCA is voor een uitzendkracht die als operationeel leidinggevende werkt. VIL VCU is voor intercedenten en leidinggevenden bij een VCU-organisatie.

  2. Vraag 2 van 12 · Veilig werken, overleg en inspecties Wat is een taak van de intercedent bij uitzendkrachten?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is C: Hij evalueert de uitzendkracht na afloop van de opdracht.

    Uitleg: De intercedent selecteert de juiste uitzendkracht voor de functie, controleert zijn basiskennis over veiligheid en evalueert hem na afloop van de opdracht. De begeleiding op de werkplek ligt bij de inlener. De functie-eisen komen uit de aanvraag van de inlener.

  3. Vraag 3 van 12 · Preventie Je bent intercedent bij een uitzendorganisatie. Een uitzendkracht gaat risicovolle taken uitvoeren. Wie informeer jij over deze risicovolle taken?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is A: De uitzendkracht

    Uitleg: Als intercedent informeer je de uitzendkracht over de risicovolle taken. Met de inlener maak je afspraken over hoe de uitzendkracht verder wordt geïnformeerd, bijvoorbeeld met instructies of een opleiding. De inlener levert de informatie over de werkplek aan.

  4. Vraag 4 van 12 · Werkplek Je ziet een driehoekig geel bord met een zwarte rand en een zwart symbool. Wat betekent dit bord?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is C: Het waarschuwt voor een gevaar.

    Uitleg: Een driehoekig geel bord met een zwarte rand en een zwart symbool is een waarschuwingsbord. Het waarschuwt voor gevaar, bijvoorbeeld voor giftige of ontvlambare stoffen. Verbodsborden zijn rond met een rode rand en gebodsborden zijn rond en blauw.

  5. Vraag 5 van 12 · Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) Je werkt met je handen vlak bij een draaiende machine. De machine heeft onbeschermde draaiende delen. Welke handschoenen draag je hier?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is A: Nauwsluitende handschoenen

    Uitleg: Een ruime handschoen kan door draaiende delen gegrepen worden, en dan wordt je hand meegetrokken. Draag daarom alleen nauwsluitende handschoenen als je vlak bij draaiende delen werkt.

  6. Vraag 6 van 12 · Arbeidsmiddelen Je wilt met een slijpmachine werken. Bij de controle vooraf zie je dat de beschermkap ontbreekt. Wat doe je?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is B: Je gebruikt de slijpmachine niet, want de bewegende delen moeten afgeschermd zijn.

    Uitleg: Bewegende delen van een machine moeten afgeschermd zijn. Een slijpsteen kan kapotspringen en er vliegen deeltjes rond. Zonder beschermkap gebruik je de slijpmachine dus niet, ook niet even kort.

  7. Vraag 7 van 12 · Specifieke werkzaamheden en omstandigheden Op een bouwplaats zit in een tussenvloer een vloeropening. Op de vloer daaronder lopen je collega's. Wat is de beste maatregel tegen voorwerpen die door de opening naar beneden vallen?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is B: Je dekt de vloeropening af met draagkrachtig materiaal dat vast met de ondergrond is verbonden.

    Uitleg: Een vloeropening dek je af met materiaal dat sterk genoeg is en vast zit aan de ondergrond. Zo kan er niets naar beneden vallen en kan de afdekking niet wegschuiven. Een bord of een afspraak houdt vallende voorwerpen niet tegen.

  8. Vraag 8 van 12 · Gevaarlijke stoffen In jouw ploeg ontstaat bij het lassen gevaarlijke lasrook. De stof kan niet aan de bron worden weggenomen of vervangen. Welke maatregel neem je volgens de prioriteitsvolgorde als eerste hierna?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is A: Plaatselijke afzuiging bij de bron plaatsen.

    Uitleg: Kun je een gevaarlijke stof niet aan de bron wegnemen of vervangen, dan kies je eerst een technische of collectieve maatregel, zoals plaatselijke afzuiging. Persoonlijke beschermingsmiddelen zoals adembescherming komen pas als laatste.

  9. Vraag 9 van 12 · Elektriciteit en straling Een medewerker op jouw project is niet elektrotechnisch deskundig. Hij heeft ook geen instructie over elektriciteit gehad. Welke kwalificatie heeft hij en wat mag hij?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is C: Hij is een leek en heeft geen bevoegdheden

    Uitleg: Iemand die niet elektrotechnisch deskundig is en geen instructie heeft gehad, is een leek. Een leek heeft geen bevoegdheden bij werk aan elektrische installaties. Een voldoende onderricht persoon heeft wel instructie gehad van een vakbekwaam persoon.

  10. Vraag 10 van 12 · Brand en explosie Je werkt in een werkplaats. Er ontstaat brand in een voorraad magnesium. Welk blusmiddel kies je?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is A: Blussen met specifiek bluspoeder.

    Uitleg: Magnesium is een metaal. Een brand van metalen valt in brandklasse D en die blus je met een specifiek bluspoeder. Water en gewoon ABC-poeder zijn hier niet geschikt.

  11. Vraag 11 van 12 · Ongevallen Je ziet een bijna-ongeval: een hijslast zwaait rakelings langs een collega. Er is geen schade en geen letsel. Je stopt de handeling en meldt het bij de leidinggevende. Wat hoort volgens de juiste handelswijze ook nog te gebeuren?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is C: Het bijna-ongeval registreren.

    Uitleg: Na een incident volg je vijf stappen: direct handelen, melden, registreren, onderzoeken en een plan van aanpak maken. De handeling is gestopt en gemeld, dus de volgende stap is registreren. Er is geen slachtoffer, dus niemand hoeft naar de medische dienst.

  12. Vraag 12 van 12 · Noodsituaties De informatie over het bedrijfsnoodplan voor operationele en tijdelijke medewerkers is verdeeld in drie onderdelen: het evacuatieplan, de interventie en het melden. Bij welk onderdeel hoort 'de hulpdiensten waarschuwen'?

    Kies eerst een antwoord.

    Het goede antwoord is B: Bij het melden.

    Uitleg: Bij het melden hoort het melden van ongevallen en noodsituaties en het waarschuwen van de hulpdiensten. Bij de interventie gaat het om de hulpmiddelen en eerste hulp, en bij het evacuatieplan om de plattegrond, het alarm en de oefeningen.

Op het echte VIL VCU-examen heb je minstens 39 van de 60 vragen goed nodig.

Oefen verder met de cursus

Ook interessant